`We hebben besloten de steenfabrikage niet voort te zetten. Dit is onze laatste campagne. Er komt
steeds minder belangstelling voor onze stenen, hoewel ze speciaal geschikt zijn voor schoorsteenka
nalen. Met ons bedrijf verdwijnt de laatste steenbakkerij aan de Hollandsche IJssel.`, zo sprak de heer
M.L. Mijnlieff op 5 oktober 1964, de journalisten van Het Vrije Volk toe. Het einde van een tijdperk……..Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.
In gesprek met Dieuwertje Diejen-van Dam……
Opa en oma gingen in de Julianastraat wonen en wij op Klein-Hitland in een van de buurthuisjes. Mijn vader was Gerard van Dam en in mijn herinnering hadden wij in het huisje een stenen vloer met daaroverheen een vloerkleed. Vader en moeder lagen beneden in de bedstee en in de bedstee was een steile trap naar boven waar wij lagen te slapen.
Mijn twee broers zijn in dat huisje geboren en één zusje in het ziekenhuis. Naast ons woonde Albert Schrage en Bontan. Op jonge leeftijd heb ik ook voor appel en een duppie meegeholpen in de steenovens met stenen rechtzetten.
De stenen werden in lange rijen te drogen gelegd en die moesten wij dan omkeren, rechtzetten en na een tijdje met een aantal stenen tegelijk op een plank worden opgestapeld met een tussenruimte ertussen, anders droogden de stenen niet genoeg. Grote rietmatten stonden klaar om de stenen te beschermen tegen slecht weer of te felle zon. Die rietmatten werden op de steenplaats gevlecht, daar heb ik ook veel bij geholpen.
Daarna werden de gedroogde stenen in de oven opgestapeld, dat was echt mannenwerk. De oven bestond uit een soort binnenplaats omgeven door muren van 140 tot 160 centimeter. De smalle nissen, die nu nog in de ruïnes duidelijk te zien zijn, werden gebruikt als stookplaats. Het bakproces duurde gemiddeld zes weken. Daarna waren opnieuw zes weken nodig om de stenen af te laten koelen.
– Kleine Dieuwertje –
De ratten maakten daar gaten in dekens. Na vier jaar vertrokken wij daar weer en verhuisden naar de voorbuurt op Klein-Hitland, deze huisjes waren wat comfortabeler met een douche en wc binnen.
Toen ik als 14-jarige van school kwam ben ik gaan werken in de villa van Mijnlieff op de buitendijk. Dat was een hele mooie en deftige villa in die tijd.
Vooraan had meneer Mijnlieff zijn kantoor, maar ik had meer te maken met mevr. Mijnlieff.
Als je de villa binnenkwam had je beneden hele grote kamers: een voorkamer, eetkamer en een aparte huiskamer. In de eetkamer hingen grote kristallen lampen aan het plafond en er was veel antiek.
De familie Mijnlieff had ook nog een tweede huis in Amsterdam, ook die mocht ik schoonhouden. Ik ging dan samen met Mevr. Mijnlieff met de trein daarheen.
De Mevr. Mijnlieff waar ik voor werkte, was overigens de tweede vrouw van mijnheer Mijnlieff.
In 1966 ben ik getrouwd en toen ben ik gestopt met werken. Niet veel later zijn Dhr. en Mevr. Mijnlieff in het huis beneden aan de dijk gaan wonen, wat nu een restaurant is. Mijn zus heeft daar nog een poosje voor de familie gewerkt.
Ik ga nog steeds regelmatig naar Klein-Hitland. In gedachte zie ik alles nog zoals het ooit was. Ik heb er dan ook een hele leuke tijd meegemaakt.
Wat ze vroeger altijd zeiden dat de fam. Mijnlieff streng was, heb ik niet meegemaakt.
Je moest wel hard werken, maar dat hoorde erbij.
Een tijd geleden is een dochter van de eerste mevrouw Mijnlieff mij op komen zoeken hier in de Beatrixstraat waar ik nu woon. Ze wilde graag meer te weten komen over haar vader.
Dat was een leuke middag, vol herinneringen.
– Vader Gerard van Dam (foto Vrije Volk) –
Als kind hebben we op Klein-Hitland een geweldige tijd, zoveel ruimte en vrijheid. We hebben op de steenplaats veel verstoppertje gespeeld en in zand en modder gespeeld.
Door ons Drents-dialect begrepen veel mensen ons in de beginjaren niet. Daardoor waren wij als familie meer op elkaar aangewezen.
Als kinderen beleefden wij dat niet zo, want we hadden al gauw vriendjes en vriendinnetjes op de steenplaats.
Op de ‘s-Gravenweg gingen wij naar de Eben Haëzer en zaten bij juffrouw Sterk in de klas.
Maar je merkte bijvoorbeeld bij juffrouw Sterk wel, dat de “boeren” van de ‘s-Gravenweg werden voorgetrokken ten opzichte van ons.
Later toen wij vriendjes en vriendinnetjes kregen op de ‘s-Gravenweg verdween dat verschil gelukkig.
De huisjes op Hitland waren op een gegeven moment niet echt geschikt meer om in te wonen en in 1958 zijn wij verhuisd naar de ‘s-Gravenweg.
Wij gingen toen wonen op het buurtje van Moons (schuin tegenover het Hitlandselaantje), ondertussen was het gezin uitgebreid naar vijf kinderen.
Op het buurtje woonden ook Schoenmaker Dekker, Hoogerwaard en Oosterom.
Daarna kregen wij een bovenhuis aangewezen in de Beatrixstraat. Dat zag mijn vader niet echt zitten, maar door een woningruil (dat ging toen nog) met de familie Vrijenhoek gingen wij uiteindelijk naar de Huttenbuurt.
– De Villa Mijnlieff op de dijk die Dieuwertje schoonmaakte –
– Het eerste huisje waar wij woonden –



