Buurtje van Dijksman in de Oorlog

Op het Buurtje van Dijksman (’s-Gravenweg 202–218) woonden mijn oma, Teuntje Baas-Lingen, en opa, Leen Baas, op ’s-Gravenweg 216. Teunis en Jan waren hun kinderen. Op nummer 204 woonden Thijs en Sien van Mullem, op 212 ome Arie en tante Jo, op 214 Bertus en Suus van Erkel, en op 218 Albert en Jaantje Noordlander.

Dit verhaal is in 2011 geschreven aan de hand van de herinneringen van oma Laika, zoals wij onze oma noemden. Het verhaal vertelt in gedetailleerde vorm hoe zij de oorlog heeft meegemaakt.

Mochten verhalen over de oorlog negatieve emoties bij u oproepen, dan raden wij u aan dit verhaal niet te lezen.

Een nieuwe ochtend, een nieuwe dag. De deur sloeg dicht met een klap, en mijn man Leen ging de straat op met zijn kerry, zijn groentenkar. Toen ik de deur hoorde dichtslaan, kon ik nog niet weten dat op die 14 mei 1940 het niet de laatste knal zou zijn die ik die dag zou horen.

Het was altijd gezellig op het buurtje waar wij woonden, ieder kende elkaar en wij waren een klein dorpje op zich. Het buurtje ligt ingeklemd tussen de ’s-Gravenweg 202 en de spoorlijn.

“De Duitsers bombarderen Rotterdam.”

Niet veel later werd het donker buiten, de wind stond onze kant op, en de rook trok over Nieuwerkerk. Er dwarrelde veel vuiligheid, roet en papier neer. De was die ik ’s ochtends nog fris had opgehangen, zag pikzwart van de rook.

De volgende morgen ontwaakte de zon op dezelfde manier als hij elke dag deed, alsof er niks aan de hand was. Maar het gevoel was anders, het was oorlog.

’s Middags hoorden wij veel geroezemoes op de ’s-Gravenweg en besloten te gaan kijken. Wij waren niet de enigen die nieuwsgierig waren; alle buren stonden vooraan de brug. Over de ’s-Gravenweg trokken de eerste gevluchte Rotterdammers. Zonder huis, zonder baan. Ik had met ze te doen.

Ik werd aangeklampt door een man die met zijn zoon kwam anstrompelen. Ze hadden geen huis meer en zochten onderdak voor de nacht. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen, en ik nam ze mee naar huis.

Wij hoorden de verhalen aan over het verschrikkelijke bombardement, en we gaven ze te eten en te drinken. Het werd donker en we gingen naar bed; we wensten ze een goede nacht.

De volgende ochtend werd ik wakker en voelde een tocht door het huis gaan, alsof de deur openstond. Het zou toch niet zo zijn, ik slaakte een diepe zucht. Ik maakte mijn man wakker en vertelde hem dat ik een tocht door het huis voelde gaan.

“Het wordt steeds grimmiger op straat”, vertelde mijn man op een donkere avond toen we aan de koffie zaten. “Mensen worden arm, ik spreek onderweg met veel mensen en iedereen heeft honger”.

“Ik ben zo bang, dat ik straks de jongens niet meer kan voeden”, vertrouwde ik hem toe.

“Ik zal zorgen dat we geen honger zullen krijgen”, beloofde hij me. Hij had gelijk, omdat mijn man groenteboer was hebben wij het niet slecht gehad, maar de andere levensmiddelen werden schaarser en veel was op de bon.

“Ik ga zo naar bed” zei ik tegen hem. Ik was moe, ik was die dag al vroeg opgestaan om aardappelen en graan te gaan kopen in Zevenhuizen.

Al vroeg in de ochtend liep ik met mijn buurvrouw Sien en zus Jo daar naartoe. Over de Kerklaan en de dijk liepen we net als vele andere richting Zevenhuizen. Eenmaal in Zevenhuizen aangekomen moesten we in de rij staan. En als je eindelijk aan de beurt was kreeg je maar een klein beetje mee, wat je de lange weg terug naar Nieuwerkerk met je mee moest tillen.

“Ik wil dat je morgen met me mee gaat, met de jongens” zei mijn man.

“Met je mee de ronde doen?”

Met bemoedigende woorden probeerde ze me te troosten. Ik was verdrietig en moe van het piekeren die nacht ervoor. Ik nam de jongens mee naar huis.

“Wanneer komt papa thuis”, vroeg de oudste.

“Ik weet het niet jongen”, zei ik, met een snik in mijn stem.

We begonnen met zijn drieën zachtjes te huilen, niet wetende wat er zou gebeuren. Ik telde de dagen af tot dat ze Leen weer vrij zouden laten. Het was vreemd elke ochtend wakker te worden met niemand naast me.

Leen werd vastgehouden op het Haagsche Veer in Rotterdam. De week leek eeuwig te duren, en ik was dan ook zielsblij toen hij werd vrijgelaten.

Ik keek uit het raam, ik zag mijn warme adem op de ruit veranderen in aanslag. Het werd kouder, en de winter van 1944, welke later bekend zou worden als de Hongerwinter, kwam eraan. Het werd december, ik ging op bezoek bij buurman Albert.

“Wat zie je er slecht uit Albert”, zei ik tegen hem toen hij de deur opendeed.

Albert zuchtte: “Ik weet het niet meer Teuntje, die kleine heeft zo’n honger de hele tijd; ik geef hem al het eten wat we hebben”.

“Ik weet het”, zei ik, “ook de jongens eten bijna meer dan ik en Leen. Het lijkt bijna wel; hoe minder eten er is, hoe meer ze nodig hebben om vol te zitten”.

– Distributie Stamkaart –

Ik zag ze gelukkig al op het Hitlandselaantje staan naast de kerry, maar mijn man was nergens te bevinden. Aan de overkant van de sloot bij boer de Jong zag ik een man dood liggen.

De jongens waren kleddernat, ik begreep er niks van.

“Waar is je vader?” vroeg ik aan ze.

“Met buurman Thijs naar het huis van Kool”, zeiden ze. Toen zag ik pas dat het huis van Kool naast het Hitlandselaantje voor een gedeelte was ingestort. Ik nam de jongens en de kerry mee naar huis. Ik stuurde de jongens naar tante Jo, en rende weer terug de ’s-Gravenweg op.

Eindelijk kwam Leen aangelopen.

“Waar zat je?” vroeg ik aan hem, ik was zo ongerust!

“We zijn naar het huis van Kool gegaan, de boerderij lag in puin en allerlei mensen lagen eronder; het is een verschrikking”. Hij was ontroerd, “we hebben er mensen onder vandaan kunnen halen. Maar er zijn ook mensen overleden, het is verschikkelijk”.

Voorbij de kruising bij Honkoop tot aan Kortenoord leek het een veldsalg. Er lag een vrouw die geraakt was door de glasscherven van gesprongen ramen. Overal hoorde ik mensen gillen en smeken om hulp. De vrouw is later aan haar verwondingen overleden. Evenals een meisje dat bij hetzelfde huis stond te schuilen. Het meisje was onderweg naar school en stond tegen het huis aangedrukt. Ze bewoog niet, en aan de blik in haar ogen zag ik dat ze overleden was. Het was verschikkelijk om te zien, en ik heb dat aangezicht nooit van mijn netvlies vandaan kunnen krijgen.

Toen we thuis kwamen, rilden de jongens nog van kou en angst.

“Hoe komen ze zo nat?” vroeg ik aan mijn man.

“Toen we de bommen hoorden vallen, hebben Thijs en ik de jongens onder de kerry getrokken, daar hebben we geschuild. De scherven vielen om ons heen, maar vooral in de sloot. Gelukkig kregen we alleen het water uit de sloot over ons heen. We hebben zo’n geluk gehad, Teuntje, als we niet hadden geschuild dan…”. Hij maakte zijn zin niet af.

– Buurtje van Dijksman, vooraan het huis dat gevorderd was door een hoge Duitse pief –

Mijn man Leen was groenteman, die elke dag met zijn kar de ’s-Gravenweg op ging om zijn groenten te verkopen. Wij hadden het goed op het buurtje van Dijksman; iedereen lette op elkaar. Het zorgde voor een veilig gevoel.

Hoewel de Duitsers vier dagen eerder Nederland waren binnengevallen, merkten we er in Nieuwerkerk nog niet veel van. Toen mijn man op die 14e mei het huis verliet, begon voor mij de dag. Ik had in januari 1940 mijn tweede zoontje gekregen, dus dat zorgde ervoor dat ik mijn handen vol had.

Nadat ik uit bed ging, hoorde ik Jantje zachtjes huilen. Ik liep naar zijn wiegje en rook meteen wat er aan de hand was; een luier die verschoond moest worden. Een glimlach verscheen op mijn gezicht toen ik in het wiegje keek. Een teer gezichtje keek me met een glimlach aan.

Na het verschonen pakte ik twee veiligheidsspelden en speldde het nieuwe doek weer vast.

Ik ging naar beneden en deed de was; met twee kinderen in huis heb je ook veel. De schone was hing ik aan de waslijn in de tuin. De frisse lentewind en het zonnetje zorgden ervoor dat de was altijd zo lekker rook.

Net na het middageten hoorde ik opeens een hard gebrom in de verte. Ik keek naar buiten en daar kwamen ze: vliegtuigen. Ik had ze nog nooit zo laag voorbij zien vliegen; ik kon zelfs de gezichten zien van de piloten in de cockpits.

Niet veel later hoorde ik harde klappen en in de verte zwarte rook. Ik hield mijn adem in, en angst overmeesterde mij. Ik herinner mij de klappen nog heel goed.

Mijn zoontje huilde, en terwijl mijn man naar beneden ging, liep ik naar het wiegje waar mijn zoontje in sliep. Ik hoorde een brul van beneden, mijn man:

“Die Rotterdammers zijn er vandoor!” Ik snelde naar beneden, en zag hoe mijn man met een rood hoofd door de deur keek, hij was woedend. Niet alleen waren ze zonder wat te zeggen vertrokken, maar hadden ook ons geld en eten weg geroofd. Leen was woest, en heeft zijn hele leven een antipathie tegen Rotterdammers gehad.

Het leven ging verder, ook in oorlogstijd. Langzamerhand kwamen de eerste Duitse soldaten het dorp binnen. Mijn man kwam thuis van zijn ronde toen hij het nieuws vertelde; “Er zit een Duitser in het huis van Flip Dijksman”. Dat huis stond vooraan ons buurtje en was gevorderd door de Duitsers. Een hoge pief van het Duitse leger trok daar in.

Toen ik op een ochtend met de jongens de deur uitging op weg naar de bakker zag ik ter hoogte van nummer 208 en 210 iets geks. Er liepen Duitse soldaten in en uit de huizen; er was wat gaande. We liepen er snel langs op weg naar de bakker. Toen we weer terug kwamen op het buurtje; was het inderdaad waar ik al bang voor was; nog twee huizen waren gevorderd. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen, en keek stiekem door het raam van nummer 208. Er werd in de woonkamer op de begane grond een groot bad geplaatst. Boven waren slaapkamers ingericht en op nummer 210 waren in het hele huis slaapvertrekken ingericht.

Het werd allemaal strenger, en na een paar weken werd ook de avondklok ingesteld. We mochten na 8 uur niet meer naar buiten. Ik lag ’s nachts vaak wakker. Hoe veilig is het om mijn jongens op te laten groeien in deze buurt, waar de vijand een paar huizen verder woont? Kunnen we het opbrengen altijd op onze hoede te zijn, en hoe lang gaat het nog duuren?

De soldaten probeerden best vriendelijk te zijn als we langs liepen, sommige waren hooguit 18 jaar oud, maar je verstond er niks van wat ze zeiden. Ook stopte de trein regelmatig ’s avonds ter hoogte van ons huis, waarna het onmiskenbare geluid van sloffende laarzen door het grind over het buurtje klonk. Ik huilde mij vaak in slaap, uit angst hoe het nu met ons gezin moest.

Als je als kind opgroeit in de oorlog, is het ongewone, al snel gewoon. Hoewel de jongens wisten dat ze op hun hoede moesten zijn, blijven het toch kinderen. Het was lastig om de jongens binnen te houden, dus af en toe gingen ze ook naar buiten om op het buurtje te spelen. Op een ochtend kwam een van de jongens de tuin in met een stuk brood; “Hoe kom je daar aan?”, vroeg ik licht geïrriteerd, omdat ik bang was dat hij het misschien ergens gestolen had. Hij wees naar de ’s-Gravenweg, en vertelde dat hij het van een van de soldaten vooraan het buurtje had gehad. Die soldaten kwamen ook regelmatig appels bij ons kopen.

 
 

– Het Haagsche Veer waar Opa Leen een week opgesloten zat (foto stadsarchief Rotterdam) –

“We moeten de distributiebonnen inleveren bij het distributiekantoor in Capelle”.

Ik knikte. “Laten we maar gaan slapen dan”.

Het werd een ritueel, en met enige regelmaat ging ik met de jongens mee, en liepen we naar Capelle. Het nieuwe leven leek normaal, tot mijn zus Jo met grote ogen bij ons binnenkwam.

Arie moet naar Duitsland om te werken”, fluisterde zij geschokt.

“Maar, wat is er dan gebeurd?”, vroeg ik.

“Hij is samen met een paar andere uit het dorp, te werk gesteld in Duitsland”.

Ik slaakte een zucht, allerlei gedachten gingen door mijn hoofd. We staarden samen uit het raam onze tuin in. Mijn man zuchtte ook, en zei wat we alle drie dachten; “Ik ben helemaal klaar, met die rot-oorlog”.

Midden in de nacht hoorde ik de soldaten sloffen over het buurtje. Wat als ze hem zouden zien? Ik kon die nacht geen oog dicht doen, ik bleef maar piekeren. Ik haalde mij allerlei dingen in mijn hoofd terwijl de klok tikte en de minuten uren leken te duren. Halverwege de nacht hoorde ik gestommel op de trap. Het was hem gelukt. Ik slaakte een zucht van verlichting, en we vielen samen in slaap.

Ik wist dat het mis was, toen ik gestommel bij de deur hoorde. Ik deed open; “We zijn op zoek naar uw man, is hij thuis?”. Ik was verschrikt, wist niet wat te doen. Mijn man kwam er aan, en werd meegenomen door de politie. Hij was verraden.

“Wat gaat u doen met hem?” vroeg ik.

“Hij gaat mee naar burgemeester Jas, en dan valt te bezien wat er met hem gebeurt.”

Ik voelde mijn tranen opkomen, raakte in paniek en wist niet wat te doen. Ik ging naar mijn zus Jo die twee huizen verderop woonde. Ze zette een kop koffie, en probeerde me te troosten. Arie zat al in Duitsland, het zou toch niet zo zijn dat ze Leen ook naar Duitsland zouden sturen?

– Buurtje van Dijksman, huis 2e van links is het huis van oma en opa –

“Ik ga volgende week met Sien en mijn zus naar Drenthe”, vertelde ik hem. We hadden het er al weken over, we zouden op de fiets naar Drenthe gaan om eten te halen bij de boeren. We moesten wel, we hadden eten nodig.

Een week later was het zover, het was halverwege december en we pakten onze fietsen. Rond een uur of zeven ‘s avonds kwamen wij aan bij een school, we klopten aan en vroegen of we er alsjeblieft mochten slapen. We waren niet de enigen, meerdere mensen waren vanuit het westen op weg naar het oosten om daar eten te sprokkelen bij de boeren. Scholen en andere gebouwen stelden hun deuren open om er te overnachten. Het was allemaal wel spannend, want dezelfde gebouwen werden ook gebruikt door soldaten om er te overnachten.

We fietsten van Oudewater naar Utrecht, Amersfoort en toen naar boven richting Drenthe. Onderweg kwamen we kinderen met hun ouders tegen die ook op weg waren naar het Noorden. We zagen mensen van de honger onderweg op straat in elkaar zakken en sterven. Het was een barre tocht, maar eindelijk kwamen we dan aan in Drenthe. Het laatste gedeelte leek het alsof we op vleugels fietsten. Het einde van die ellenlange fietstocht was in zicht, we hadden honger, we hadden het koud; maar we hadden het gered.

We kwamen bij een aardige boer die onze fietstassen volpropte met allerlei voedsel. We mochten blijven slapen, zodat we ons konden voorbereiden op de zware tocht terug. Onze fietstassen waren zo vol dat we het grootste deel van de terugreis naast de fiets moesten lopen. We zagen families hongerig richting Drenthe lopen, af en toe gaven we ze wat mee om op krachten te komen, en spraken we ze bemoedigende woorden toe, zoals ook andere mensen bij ons hadden gedaan op de heenreis.

Eenmaal thuis aangekomen, wachtte een aangename verrassing me op. Mijn man was elke dag, samen met de jongens, op pad geweest om nog het weinige groente te verkopen wat er nog was, en had stiekem elke dag kolen geroofd langs het spoor en onderin de kerry verstopt. Deze kolen hadden ze meegenomen naar huis en opgeslagen in de schuur. Zo konden we het toch warm houden thuis.

Hoewel we genoeg eten hadden in huis, hebben we altijd geprobeerd heel zuinig ermee om te gaan. We wisten immers nooit hoe lang deze winter aan zou houden, en ik zag het niet zitten om weer op de fiets naar Drenthe te gaan. Het was allemaal goed gegaan, maar er kleefde ook heel veel risico’s aan.

De winter werd lente, en toen was daar 19 maart 1945.

Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Het is een geluid wat je meteen herkent, het doffe geluid van het vallen van bommen. Ik hoorde het in de verte, het geluid kwam bij de Tochtwegen vandaan. Ik hoorde het donkere gebrom van de vliegtuigen dichterbij komen. Ik raakte in paniek, ze kwamen steeds dichterbij, en mijn man was net met de jongens en de kerry de straat op.

Ik stond in de deuropening en ik zag ze nu ook ter hoogte van de Kerklaan.

“Ze bombarderen de loodsen”, zei mijn buurman. Bij het station van Nieuwerkerk stonden loodsen vol met oorlogsmateriaal en munitie. Vanuit de deuropening zag ik de bommen uit de lucht vallen. Een van de bommen viel in een weilanden achter het gemeentehuis. Hij ging recht naar beneden de grond in, maar er volgde geen ontploffing.

Ik zag hoe de grond als een fontein de lucht in spoot. De omhooggespoten grond kwam helemaal tot het aan dak van het gemeentehuis. Ik dacht aan mijn jongens, en aan Leen; waar zouden ze zijn? Zouden ze veilig zijn, wat als zo’n bom op hen viel? Ik vluchtte naar binnen, wist niet wat te doen. Wat moest ik? Naar buiten op zoek naar de jongens, of binnenblijven onder de tafel?

Met een oorverdovende knal viel er een bom vlakbij. Ik hoorde keihard gerinkel, en het achterraam van ons huis was door de druk gesprongen. De scherven lagen in de borden waaruit we net gegeten hadden. De vliegtuigen verdwenen weer, het had hooguit een paar minuten geduurd. Ik moest naar buiten en rende op mijn kousen het buurtje af, zonder schoenen. Ik moet naar mijn jongens toe, dacht ik alleen maar.

– Brief naar aanleiding getuigenverklaring bom en depot achter oude gemeentehuis –

“Ik heb aan de jongens gevraagd op de kerry te passen, terwijl Thijs en ik samen met de Poolse soldaten naar het huis van Kool zijn gerend. Daar hebben we een aantal mensen samen met de soldaten kunnen redden”.

“Ik weet niet hoe lang ik dit nog volhoud, Leen”, fluisterde ik.

We gingen naar Ouderkerk aan den IJssel, naar mijn vader, zodat we even konden bijkomen. Het idee dat we echt heel veel geluk hebben gehad, heeft veel indruk op ons allen achtergelaten. We voelden ons niet meer veilig in ons eigen huis en hadden echt even rust nodig.

Die rust kregen we in Ouderkerk, er werd goed voor ons gezorgd, de jongens speelden buiten, en na een paar dagen rust keerden we weer terug naar ons huis.

Leen moest die vrijdag naar Moordrecht met de kerry. Maar eerst moest hij bij een tuinder langs om daar groenten te steken. Wij zouden met z’n vieren naar Moordrecht gaan. Leen ging vroeg op pad richting de tuinder en ik gebruikte de vroege uurtjes om mijn huis aan kant te maken. Ik stuurde de jongens naar bakkerij van Pinkse om brood te gaan halen.

Toen de jongens een kwartiertje weg waren, hoorde ik een geluid. Angst bekroop mij meteen, ik kende dat brommende geluid, en het kwam dichterbij; bommenwerpers. De eerste knallen kwamen, en ik was volledig in paniek.

Weer was ik alleen, en weer waren de jongens buiten. Hoe had ik ze ook alleen op pad kunnen sturen? Ik moet ze beschermen, dacht ik, terwijl ik de bommen hoorde afgaan. Ik moet naar ze toe! Ik rende de straat op, het buurtje over richting de ’s-Gravenweg. De hoge Duitse pief vooraan de buurt probeerde me tegen te houden, maar dat lukte niet.

Ik rende de ’s-Gravenweg op richting de Kerklaan. Er was een bom gevallen in de kastanjeboom van Beuvery en bij dr. Hage, maar die waren gelukkig niet afgegaan. Ik zocht naar mijn jongens, ik zag overal scherven en puin, maar mijn jongens zag ik nergens.

Een naar gevoel maakte zich meester van mij, tot ik opeens de deur van bakker van Pinkse open zag gaan. Ze kwamen naar me toe gerend en ik nam ze in mijn armen.

Bakker Pinkse vertelde dat hij ze buiten zag staan en ze de winkel in had getrokken, waar ze in de kelder hebben geschuild. De planken vielen uit het plafond van de kelder toen de bommen vielen. Mijn jongste vroeg aan de bakker of hij nu ook weer water over zijn hoofd ging krijgen.

Ik nam ze mee naar huis, en we waren ongerust. We wisten niet waar Leen was, en hadden geen idee of hij ook getroffen was door de bommen. Niet veel later hoorde ik hem mijn naam roepen, terwijl hij het erf op kwam gerend. We waren blij, en dankbaar dat we het alle vier gered hadden.

Het duurde echt een hele tijd voor wij ons weer veilig voelden in ons huisje. Na een paar weken speelden de kinderen weer buiten, en durfden we zonder angst de straat weer op. Je hoorde het nieuws dat langzaam de Duitsers werden verslagen, maar we durfden het nog niet te geloven. Weken, maanden gingen voorbij en ook wij begonnen langzaam te merken dat de oorlog zijn einde naderde.

De soldaten, welke in de huizen op ons buurtje woonden, pakten hun spullen en vertrokken. Om heel eerlijk te zijn hebben ze de huizen heel netjes achtergelaten.

Op 5 mei 1945 was het dan eindelijk zo ver: Vrede!!

Lees ook deze verhalen

De Steenovens van Mijnlieff komen weer tot...
https://youtu.be/TiOkPmKtgSE?si=1JSyDhA0GDPEO7sU  Stap even uit het nu en duik met ons...
Lees meer
Een “koninklijke” volksbuurt
Soms vind je ze nog in een gemeente, de onaangetaste...
Lees meer
Feestelijke optochten bedrijfswagens en verenigingen door de...
De grote rijdende optocht door de gemeente, waaraan werd deelgenomen...
Lees meer
Leave a Reply
You must be logged in to post a comment.