Een interview met de heer Van Savoyen (geboren 1926)
Mijn vader had een tuinderij aan de Kralingseweg, tussen Capelle en Rotterdam.
Ik ben daar opgegroeid en werkte er in de tuinderij.
Er woonden veel tuinders daar in de buurt.
We werden onteigend — er kwam een grootschalige nieuwbouwwijk.
Ik kreeg verkering met Maaike Karreman, een tuindersdochter uit Nieuwerkerk, waar ik ook mee trouwde.
ChatGPT zei:
Haar vader Marinus en zijn broer Arie Karreman begonnen in 1910,
als een van de eersten na de droogmaking van de Zuidplas,
met een tuinderij aan de 1e Tochtweg.
Later woonden zij aan de Westringdijk in Nieuwerkerk, waar ze een tuinderij kochten.
Heel veel tuinders begonnen in Nieuwerkerk met een tuinderij,
vooral aan de Oost- en Westringdijk en de Tochtwegen.
Nieuwerkerk werd echt een tuindersdorp.
We hadden hier zelfs een zogeheten Komkommerkerk,
waar veel tuinders kerkten.
Met paard en wagen werd de groenten naar de Rotterdamse veiling gebracht.
Later kreeg Nieuwerkerk een veiling aan de Kerklaan.
Toen vervoerde men de groenten per boot.
Er liep een rails met een lorry langs de tuin,
en zo ging de groenten verder met een lier naar de boot.
De opa en oma van Maaike hadden vroeger nog een winkeltje met kruidenierswaren
aan het Zuideinde, vlak bij de Middelweg in Zevenhuizen.
Haar opa heeft nog gevist in de Zuidplassen,
voordat het drooggemalen is.
De broers van Maaike, Ries en Leen, namen het bedrijf van hun vader over.
Er gebeurde iets vreselijks — broer Ries werd op 24-jarige leeftijd doodgereden door een dronken chauffeur.
Ik (Arend) ben in zijn plaats gaan werken.
Leen en ik hadden ieder de helft van de tuin.
We hadden 1 hectare land — dat was niet groot,
maar we hebben er altijd goed van kunnen bestaan.
We stookten op kolen, daarna op olie, en vervolgens op aardgas.
– Rechts het woonhuis en de tuinderij aan de Westringdijk in Nieuwerkerk –
Alles handmatig
In die tijd was er nog niets geautomatiseerd — er waren nog geen computers, alles werd met de hand gedaan.
De zogenaamde zware sla was een moeilijke teelt, daar kwam heel wat bij kijken.
Bij vorst, storm, zon of droogte moest men de juiste hoeveelheid water geven.
Luchten, bestrijding van ongedierte, bemesting en temperatuur — er moest veel geregeld worden in de kas,
en de administratie kostte ook tijd.
Concurrenten wilden altijd alles weten over hoe ik aan die mooie grote sla kwam,
maar ik gaf niet snel mijn kennis weg.
Ik zei dan: “Je moet er zout opgooien.”
Dat werd me niet in dank afgenomen natuurlijk.
Zelf hou ik niet van harde ijsbergsla — geef mij maar die zachte sla met een beetje slaolie.
De tomaten groeiden in een apart gedeelte van de kas.
Ik had een werknemer, maar bij de oogst van tomaten hadden we tomatenplukkers.
In de tomatenkas was het ’s middags soms wel 35 graden.
Vroeger had je in Nederland maar één soort tomaat — groten en kleinen.
Nu heb je veel meer soorten: vlees-, cherry-, roma- en trostomaten, en anderen.
Bijna 25 jaar lang hadden we een werknemer in dienst, Jaap Slingerland uit Moordrecht —
een harde werker met gevoel voor de zaak.
Ik heb altijd prettig met hem samengewerkt.
De nacht van zondag op maandag gingen Jaap en ik om 12 uur sla steken tot ’s morgens vroeg.
Dan was het soms maar een paar graden boven nul in de kas.
We aten om 3 uur in het ketelhuis.
De sla ging al vroeg mee met de vrachtwagen van vrachtrijder Gerrit van Bergen naar de veiling;
ik reed er dan achteraan.
In de drukke periode begonnen we iedere werkdag al heel vroeg met sla steken.
De broers van Jaap kwamen ook tomaten plukken in de zomer.
Eind jaren ’80 verkocht ik de zaak met het woonhuis aan Van der Heijde —
ik zat toen tegen mijn pensioen.
We hebben altijd hard moeten werken,
maar waarschijnlijk is dat niet slecht voor je lichaam,
want ik ben nu 93 en nog redelijk gezond.
Mijn vrouw en ik wonen nog zelfstandig in Nieuwerkerk.
– Arend van Savoyen –
– Arend in zijn jonge jaren met een grote krop sla –
De botersla
We teelden sla en zomers tomaten in een kas (warenhuis).
De zachte, grote kroppen sla die wij teelden noemde men in de volksmond ‘botersla’ —
dus geen harde ijsbergsla.
100 kroppen wogen 30 kilo, soms meer.
De kwaliteit was prima, zodat ik veel verkocht; de prijzen waren erg goed in die tijd.
In het Westland teelden ze veel lichtere sla.
Een gedeelte ging ook weg voor de export.
Eerst verkocht ik onze teelt op de Bleiswijkse veiling,
en daarna op de Utrechtse veiling.
Er waren toen 180 Nederlandse veilingen,
nu zijn er bijna geen veilingen meer.
Ik was lid van de landelijke slacommissie en werd daar secretaris.
Ik en andere afgevaardigden bezochten de tuinderijen in de omliggende landen.
De commissie was lid van de rijksproeftuin en had een eigen vakblad voor de glasgroententeler:
De Tuinderij, met adviezen en verhalen voor tuinders.
De commissie en het vakblad zijn er niet meer.
Nu kan je adviseurs vragen die komen kijken in de tuinderij,
maar dat is ‘kassa’ natuurlijk.
– Ansichtkaart met de komkommerkerk –



