Herinneringen aan de
‘s-Gravenweg 25
Op de ’s-Gravenweg 25 lag een woonark. In de put woonden onze opa Willem Damsteeg en oma Cor Damsteeg-Kreuk. Zij kregen een dochter, Janny Damsteeg, onze moeder dus.
Onze moeder, Janny Noorlander-Damsteeg, is op de woonark opgegroeid. Zij is dan ook een echte Nieuwerkerkse; zij kent iedereen die ze tegenkomt op de ’s-Gravenweg en ging daar ook naar school.
Wij, de kleinkinderen, vonden het altijd leuk om bij opa en oma te zijn op de woonark. Opa had een bootje in de put, waarmee we af en toe gingen varen, maar we zaten ook vaak te vissen in de put.
Opa en oma hadden ook perenbomen op het erf, die er nog steeds staan. Opa had een grote groentetuin en vroeger kwamen daar ook jagers om op eenden te jagen; de dode eenden legden ze op een rijtje op het erf.
De woonark moest helaas verdwijnen voor een golfbaan op de ’s-Gravenweg, maar wij missen de put en de woonark nog steeds.
Lieve Ma Janny Noorlander-Damsteeg, dit berichtje is voor u.
De fijne herinneringen over de ’s-Gravenweg waar u bent opgegroeid.
Heel veel liefs,
je dochters,
Miranda Veenema Noorlander en
Colinda Both Noorlander
Herinneringen van Maarten van Erkel
Ik ben geboren in 1956 op ’s-Gravenweg 142A, in een verbouwde schuur. Voor ons op 142 woonden mijn oom en tante, Klaas en Jo van Erkel.
Mijn vader had samen met zijn broers een tuinderij, aan de andere kant van de voormalige spoorlijn (nu de Schielandweg). Over het spoor werd dat genoemd.
Naast ons op 140 woonde de familie Rietveld, en daarnaast zat de smederij van Arie Vis. Twee zonen van Arie Vis (Piet en Ad) fietsten vaak over de ’s-Gravenweg op hun éénwielers. Zij mochten als enige op het schoolplein fietsen.
Arie Vis zat in het bestuur van de IJsbaan en had een soort grote ketel op wielen gemaakt, die met heet water werd gevuld om scheuren in het ijs te repareren. Dat water kwamen ze dan bij ons uit de ketel van de tuinderij halen.
Daarnaast, op 136, zat de boerderij van Anton Kool. Daar haalden we een emmer melk en in de kalvertijd ook biest.
Als kind hebben we daar heel veel gespeeld, bijna alles mocht. Als we het te bont maakten, werden we soms met ons hoofd in de wei-ton gedoopt of kregen een krooskoppie. Ook gingen we mee het land in om te hooien of de koeien halen bij melktijd.
Op de oude spoordijk was ook altijd van alles te beleven; er werd vaak fikkie gestookt. Verder gingen we vaak de polder in om te vissen of slootje springen, wat niet zelden eindigde in een nat pak.
Met Koninginnedag werden we door DKV opgehaald om lopend naar het plein voor het oude raadhuis te gaan voor de aubade. Daarna kreeg je een zakje snoep met een sinaasappel, en dan waren er spelletjes zoals zaklopen op het schoolplein. ’s Middags ging het naar het feestterrein: het ene jaar op het voetbalveld aan de Rijskade, het andere jaar ergens bij het oude dorp.
Een stuk minder prettig was de schooltandarts, die kwam met een soort bus langs en om de beurt werd je naar binnen geroepen. Bij mij vond hij altijd wel iets.
Om de week (de ene week de meisjes en de andere week de jongens) hadden de hoogste twee klassen zwemles. Dan werden we met de bus van Van Gogh opgehaald en gingen we alle scholen van Nieuwerkerk af met een volle bus naar het Spaardersbad in Gouda.
Verder zwommen we in de IJssel: als je het nog niet zo goed kon, bij het strandje bij het oude gemaal “Esse- Gans- en Blaardorp” of bij paal 7. Als je goed kon zwemmen, bij paal 8. Dan was het een sport om de IJssel over te zwemmen, wat best gevaarlijk kon zijn. De eerste keer dat ik naar de overkant zwom, vertelde ik het vol trots thuis, maar dat was niet zo slim, want ze waren er niet blij mee.
Ik heb een heel fijne jeugd gehad op en rond de ’s-Gravenweg. Ik woon inmiddels al bijna dertig jaar op de 2e Tochtweg, maar zelden gaat er een week voorbij dat ik niet even een rondje maak over de dijk of door de polder en de ’s-Gravenweg; als het mooi weer is te voet of anders wel met de auto.
Maarten van Erkel
– Net voor de huizen op de ansichtkaart aan de andere kant van de weg was de Garage/Fietshandel/Benzinepomp van van Erkel, de oude baas Bart heeft mij bandenplakken geleerd. –
En natuurlijk ’s winters schaatsen. Toen kon je nog naar de dijk schaatsen en langs de dijk een eind verder in een andere sloot weer terug naar de ’s-Gravenweg. ’s Avonds ging het verder op de ijsbaan.
Een stukje terug op de ’s-Gravenweg, naast kaasboer Uitbeijerse en tegenover het winkeltje van Mientje Stam, was de oude bandenfabriek van Bijl. Daar lag nog van alles, onder andere rubber schijven die we gebruikten als puk om te ijshockeyen. Later begon tandarts de Weger op die plek zijn praktijk.
Er waren 3 scholen op de ’s-Gravenweg: vanaf de Kerklaan eerst de Katholieke lagere school, dan de Christelijke Eben Haëzer school, en vlak daarbij de Openbare lagere school.
Ik zat op de Eben-Haëzer school. Het schoolplein grensde aan het wei-land, en soms stonden de koeien met hun kop over het schoolpleinhek.
Gym hadden we in de gymzaal achter de katholieke school aan de Rijskade. Daar gingen we lopend netjes twee aan twee in rij naartoe.
– Op deze ansichtkaart de Boerderij van Henk van Vliet, deze stond tegenover de smederij van Arie Vis. Henk van Vliet heeft als één van de weinige de elfstedentocht van 1963 uitgereden. Hij is later naar Wateringen vertrokken. –



