De heer Haak was tijdens het interview 101 jaar (geb 1908) vertelt:
Ik kom uit een slagersfamilie. Mijn vader was slachter ‘Knors’ genaamd. Hij woonde tegenover tuinderij Bier aan de ’s-Gravenweg en werkte soms daar vlakbij bij de exportslachter. Later woonde hij op Kortenoord.
Hij verkocht vlees bij klanten langs de deur met een hondenkar, waar een trekhond in een tuigje voor stond. Zelf fokte hij trekhonden, waar hij 60 gulden voor ving — dat was veel in die tijd. Vader slachtte veel geiten, voor twee kwartjes per pond.
Neef Jo van Es zat zonder werk en kwam bij ons werken. Met een bevenda hand sneed hij de geitennek door en vervoerde hem met de hondenkar.
De bloedende kop bungelde over de wagenrand — hij werd er misselijk van. ’s Avonds kreeg hij het geitenvlees op zijn bord, wat hij nog nooit had geproefd, en trok een vies gezicht. Maar toen hij het op had, zei hij: “Dat kreng was toch wel lekker!”
Jarenlang werd hij daarna ‘lekker kreng’ genoemd — zo kwam je dus aan een bijnaam!
Vader kocht eens honderd magere hanen op de Goudse veemarkt. Hij voerde ze met ballen meel met zout, zodat ze veel dronken en dik werden.
Mijn broers en ik verkochten de vette hanen en ander vlees weer op de Rotterdamse markt of in de vleeshallen.
Geschreven door Elly van Gelderen-Kasbergen
Mevrouw Jannie Timmerman Den Uijl (geb. 1928) vertelt:
We woonden op boerderij “Langehof” aan de ’s-Gravenweg onder de hoogspanningskabels in Nieuwerkerk. We gingen eens melken, mijn broers boomden de schouw, waar ik ook in zat met klompen en een overal aan tussen de melkbussen, onder de vele bruggetjes door naar de weilanden bij de spoorlijn en het Ouderkerkse laantje.
Het was nog donker ’s morgens om 4 uur, ineens een plons, er viel iets in mijn schoot — ik schrok! Het was een grote snoek, we hebben hem thuis opgegeten. Vaak werd ik er later nog mee geplaagd; ze deden dat ook als ik achter de koeien ging en bijvoorbeeld zei: “Ho bonte Coba.”
Ik hielp buurman Mas Molenaar (vader van Maarten) vaak, omdat hij ziek was met melken; ik kreeg dan 1 gulden. Bij velen hielp ik met de grote schoonmaak, de inmaak of wecken, en oppassen bij de buren Hoogendijk.
In de hooitijd was het gezellig en hielp men elkaar.
Geschreven door Elly van Gelderen-Kasbergen
Herinneringen ophalen met Anje Broere-de Graaff
Aan de ’s-Gravenweg nummer 155 ben ik geboren en opgegroeid.
Deze twee ondereenkapwoningen heeft mijn opa laten bouwen
Toen ik klein was hadden we nog geen telefoon in huis, en naar mijn idee waren er in Nieuwerkerk maar twee telefoons. We gingen toendertijd naar Capelle naar een huisarts, dan kon je de medicijnen afhalen bij Groenendijk de melkboer. Mijn vader ging bij Toon Pruyt sigaren halen. Dat was wel geen winkel, maar mijn vader kreeg het toch voor elkaar.
De Keizer Post zat ook vlakbij ons huis en is helemaal verdwenen. Daar gingen wij vroeger helpen met kurken rapen. Als dank kregen wij dan een handjevol kurken mee naar huis. Bij Ceelen haalden wij sinaasappelpapiertjes; die moest je dan voor je mond houden, dan kon je zo’n leuk geluidje maken.
Dijksman had ook korte tijd een etalage met kleine huishoudelijke artikelen. Daar ging ik graag kijken. Valenkamp de melkboer zat voorheen waar daarna Andeweg heeft gezeten.
Henk Ames de groenteboer zat in een heel mooi huis met deuren met grote spiegels: het “Spiegelhuis”. Ik ging daar altijd stiekem een banaan halen, niet wetende dat mijn moeder elke zaterdag netjes betaalde.
Bij Gosselink de bakker moest ik altijd een halfje brood halen, maar voordat ik thuis was, had ik er al een hap uit genomen — dat was lekker vers. Ook dat huis is jammer genoeg weg, want Paul en Van Weelde hadden die grond nodig voor uitbreidingen.
Het leuke was dat je bij veel winkeliers over de vloer kwam. Mijn moeder stuurde mij overal heen. Zo mocht ik bij Tante Cor van Gelderen alleen maar een blok kaas halen, meer niet. Tante Cor had veel soorten sigaretten, en vooral in de tijd dat Paul en Van Weelde ernaast zat, verkocht ze die veel aan de werklui.
Zo had je ook een aantal manufacturenwinkels vlak bij elkaar. Bij de één ging je heen voor theedoeken, bij de ander voor wol. Saar Boer bijvoorbeeld — daar gingen we heen voor wol, ondergoed én patat. Het grote geheim van Tante Saar was haar leeftijd, niemand wist hoe oud ze was.
In het huis nummer 200 woonde Arie Smit, die volgens mij de kapperszaak was begonnen. Toen ik nog op school zat bij Frederikse, kwam iedere maandagmorgen dhr. Schuurman van de Boerenleenbank langs met de spaarbankboekjes. Dan kon je geld afgeven en dat werd netjes in je boekje gezet.
Vlakbij school had je ook nog Mientje Stam — daar kocht ik Bazooka-kauwgom of zwartwit. Met Koninginnedag kregen we altijd een klein beetje Oranjebitter.
Bij Vuik, de groenteboer, kon je de peentjes laten schrappen, en dat kon bij Ames weer niet. Dus kwamen beide groenteboeren aan de deur. Zo ging dat ook met de slagers. De slager van Het Oud Dorp, Leen Haak, kwam ook aan de deur. En Allemekinders bracht ook bestellingen.
Mooi was die tijd…



