“Zo oud als de weg naar Kralingen”, een bekende Nederlandse uitdrukking. De weg naar Kralingen is de ‘s-Gravenweg, eeuwenlang de belangrijkste verbinding tussen Rotterdam en Gouda.
Herinneringen van Anke Labrie aan Corrie’s Honk
Aan de ’s Gravenweg nummer 30 stond mijn geboortehuis Corrie’s Honk, nog niet zo lang geleden vervangen door een modern huis. De treurwilg, die mijn vader vanuit een schommelende boot altijd zelf snoeide met de grote heggenschaar, staat er nog wel.
Hij deed veel zelf. Zo schilderde hij ook af en toe de muren van het huis, waarvoor hij zich eigenlijk helemaal geen tijd gunde. Dus snel de hoge ladder op met een pot verf die hij steeds aanvulde vanuit de grote emmer onderaan de ladder. Grote pret toen hij een keer naar beneden kwam en in de pot verf stapte, hetgeen wij als kinderen, zonder hem te waarschuwen, al zagen aankomen. Hij kon schelden en lachen tegelijk.
Mijn vader had een tuinderij die reikte tot aan het kanaal, waarop ‘s winters een schaatstocht werd gehouden van Rotterdam naar Gouda en weer terug. De schaatsers waren behangen met Goudse pijpen en pakken stroopwafels. Een buurman had daar dan op mijn vaders land een kraam met stroopwafels en warme chocolademelk, die wij kinderen natuurlijk gratis kregen!
Aanvankelijk pachtte mijn vader het land, later kocht hij het samen met het huis. In het begin hield hij ook een kleine veestapel met varkens en er was zelfs een koe bij. Toen deze eens ontsnapte en over de ’s Gravenweg richting Rotterdam rende, ging mijn vader er op de fiets achteraan; de koe werd daarna verkocht.
– Anke op het erf van Corrie’s Honk –
Mijn moeder regelde het huishouden, vaak met hulp van buiten, want ze was meestal erg ziek rond onze geboortes. Dat was als kind wel beangstigend, maar als ze weer beter was, verzon ze altijd leuke dingen voor ons. Ze leerde ons huisjes te maken van ligakaakdozen en stimuleerde onze creativiteit. Ook kon ze heel mooi voorlezen.
Toen ze weer eens heel ziek was, moest ik van de ene op de andere dag samen met een zusje naar de kleuterschool. Ik had daar niets te zoeken en vond het verschrikkelijk. Mijn speelveld lag aan de ’s Gravenweg. Honderd meter van ons huis vandaan lag het ‘Ouderkerkselaantje’, dat van de ’s Gravenweg naar de Groenendijk liep, waar we op de fiets heengingen en van mijn vader zwemles kregen in de IJssel. Hij was een hele goede zwemmer, geboren aan de Rotte in Hillegersberg, en er werden vaak wedstrijden gehouden met het personeel wie het snelst heen en terug de IJssel over kon zwemmen. Hij won altijd.
Ik herinner me nog de zachte warme modder onder je voeten en de hoge golven wanneer er een boot langs kwam.
– Varen met de schouw met vader, broertje en drie zusjes –
– Geboortehuis en daarachter de kassen –
Mijn moeder, die uit de stad kwam (Utrecht), was hier niet zo van gecharmeerd, dus ook de varkens verdwenen. De poezen, honden, kalkoenen en kippen bleven wel. Later fokte mijn vader pony’s, die op het land achter de kassen liepen.
We waren met zes kinderen en konden naar hartenlust spelen op het grote erf, waar altijd wel veilingkisten waren om huizen te bouwen, een zandbak, schommel, wip en genoeg plek om verstoppertje te spelen. En als we boften, lag de boot er zodat we konden varen. Toen we eens in Amsterdam waren geweest, de geboortestad van mijn moeders moeder, en een rondvaart hadden gemaakt, maakten we met veilingkisten van de boot ook een rondvaartboot. Toen de kisten gingen schuiven, belandde ik samen met een van mijn zusjes in de sloot. Het liep goed af.
Er kwamen vaak andere kinderen spelen, die soms bleven eten, hetgeen wij aanmoedigden, want als het brood op was, ging mijn moeder pannenkoeken bakken.
Mijn ouders waren heel gastvrij en er mocht veel, maar er waren ook regels: heel hard gillen was alleen toegestaan bij echte ongelukken, zoals iemand in de sloot viel, zich ernstig aan glas had gesneden of hard was gevallen.
Mijn vader werkte op de tuin, met behulp van ‘knechten’. Eerst was er alleen platglas, later werden stukje voor stukje de kassen gebouwd. Hij teelde diverse groenten, zoals tomaten, komkommers, sla en witlof. Ik vond dat spannend als kind: eerst een bakje met zand, waarin zaadjes, dat in de huiskamer bij de kachel werd gezet en af en toe door mijn vader werd omgeroerd. Dat daar dan groente uit ontstond, vond ik een wonder.
Ook de sfeer in de kassen herinner ik me nog goed. In de komkommertijd was het in de kassen net alsof je in de tropen was, zoals ik kende uit verhalen. Bij de tomaten rook het altijd lekker. Tijdens de witloftijd kwamen ’s avonds laat grote vrachtwagens met witlofwortels uit Zeeland. Er was verlichting op het erf en er werd hard geroepen, zodat ik alles mooi kon zien vanuit mijn slaapkamertje. Bergen wortels lagen op het erf met grote klodders klei, later werden die in de grond gestopt met stro eroverheen, waarna er mooie witte stronken witlof omhoog kwamen.
– Corrie’s Honk –
Ik vond het fijn om aan de ’s Gravenweg te wonen, zo aan de rand van Nieuwerkerk. We gingen elke zaterdag op de fiets naar opa en oma die aan de Ringvaartweg woonden. De familie van mijn vader kwam vaak bij ons langs, een kleurrijke familie: veel verhalen en veel plezier. De familie van mijn moeder woonde verder weg en kwam niet zo vaak. Er kwamen ook elke dag wel mensen langs om komkommers of zo te halen, er was altijd wel vertier.
Van het dorp zelf kreeg ik in die tijd niet veel mee; we gingen in Capelle naar de kerk en ik zat zelfs de laatste drie jaar in Capelle op de lagere school. Ook onze huisarts woonde in Capelle. Later, toen mijn ouders zich meer op Nieuwerkerk gingen richten – vooral kerkelijk (zij waren medeoprichter van De Bron), in het verenigingsleven en in de politiek – ontstonden er meer contacten in Nieuwerkerk. Ik ben nog steeds bevriend met dorpsgenoten uit die tijd.
Maar Nieuwerkerk was voor mij vooral Corrie’s Honk, een fijn huis waar ik mijn kindertijd heb doorgebracht. Een echte Nieuwerkerker, voor zover die bestaat, voel ik me niet. Nu ik al ruim veertig jaar in Amsterdam woon en met een echte Amsterdammer – helaas overleden – was getrouwd, voel ik me ook geen Amsterdammer, hoewel ik er met plezier woon. Ik studeerde er aan de Rietveld Academie, exposeerde er vaak en draag er o.a. in café Eijlders, waar Remco Campert ooit begon, mijn gedichten voor. Ik heb er mijn atelier en woon in een fijne buurt, de Rivierenbuurt, ook aan de rand van Amsterdam.
Anke Labrie (24 -05-2020)



