Het is nu niet meer voor te stellen dat de vrouwen van toen zoveel werk op hun nek haalden. In april begon het al met een praatje met de buurvrouw, gebogen over een ligusterhegje, want niemand had nog een schutting.
Wanneer begin jij aan de schoonmaak?
Buurvrouw: “Als het goed weer wordt en de kolenkachel uit kan, van dat ding heb je zo’n stof.”
Als de zon er was, begon het te kriebelen. Eerst werden de kasten opgeruimd. Vervolgens begon men bovenaan op zolder. Het dak werd aan de binnenkant met een ragebol met lange steel geraagd. De loper kreeg ook weer een pak slaag met de mattenklopper. Na het soppen van de trap was je lange tijd bezig om de loper er weer op te krijgen.
In de kleine arbeidershuisjes was er vaak geen dakbeschot en als er jachtsneeuw was, lag de zolder vol met sneeuw als poedersuiker, terwijl er soms kinderen sliepen. Ook in de onverwarmde slaapkamers was er bij strenge vorst kleine vriesdeeltjes op het gestikte deken van het ademvocht.
Als de slaapkamers aan de beurt waren, gingen de kapokmatrassen en kussens naar buiten, die met een mattenklopper werden geklopt. De dekens werden gelucht of gewassen. De ramen werden gezeemd en daarna weer ingeruimd.
Dan de badkamer, als die er was tenminste, want velen hadden die niet, en dan ging men op vrijdag in de teil. Meestal werd de bovenkant van de muur gewit en de onderkant afgeboend; dat waren geen tegels, maar vroeger gebruikte men geverfde bobbeltjecement.
Nu de huiskamer: alles naar buiten, de tafel en stoelen waar de zitting uitgehaald werd en geboend met sop, t’hout gewreven met was. Het zware vloerkleed ging op de klopstok, vader moest daarbij helpen voor zijn werkenstijd en werd ook geklopt en met een natte borstel schoongemaakt.